Death Valley….

Vrijdag 11 juni 2010 – Vannacht hebben we overnacht in een hotel in Death Valley Junction. Alhoewel een en ander op internet er goed uitzag, was het wel even slikken. Het stadje zelf telde slechts een paar bewoners, de eigenaren van het hotel en van een plaatselijk cafe c.q. Restaurant. Verder was er helemaal niets in het dorpje. Er stonden wel huizen, maar deze waren al lang geleden verlaten en stonden op instorten. Het hotel dateerde van 1925 en sinds die tijd was er weinig veranderd. Op zich een leuke ervaring, maar qua luxe (en dan hoeft het voor ons nog niet eens zo luxe te zijn) echt helemaal niets. Het toilet en de douche waren duidelijk aan renovatie toe. Het was zo erg zelfs dat we het douchen maar een dag overgeslagen hebben. De kamer zelf was helemaal kaal en het klonk dan ook alsof je in een echoput stond. Er hing een hele grote airco en die maakte behoorlijk wat lawaai wat door de akoestiek nog eens verergerd werd. Afijn na een niet echt fantastische nacht zijn de volgende dag doorgereden naar Death Valley National Park. En zoals de naam als doet vermoeden ziet het er allemaal echt heel doods uit. Maar schijn bedriegt, want na een bezoek aan het informatiecentrum kwamen we er al snel achter dat er veel verschillende dieren in Death Valley leven. De dieren hebben zich aangepast aan het klimaat en de meeste komen pas ’s nachts in actie omdat het overdag veel te warm is. In het zoute water van enkele beken komt zelfs een bijzondere vis voor die in het zout en de hitte weet te overleven, de zogenaamde Pupfish. Deze vis is het levende bewijs dat het vroeger natter was in Death Valley. Duizenden jaren lang tot ongeveer 10.000 jaar geleden had Death Valley grote meren, gevoed door veel regen en het smeltwater van de gletsjers uit de ijstijd op de nabijgelegen bergen. Het klimaat werd droger en de meren droogden op en dwongen zowel mensen als vissen naar permanente waterbronnen te verhuizen. Sinds die tijd heeft de Pupfish overleefd in geïsoleerde bronnen met water op een temperatuur van 35° Celsius en in stromen waar het beetje water al vijf keer zo zout is als het water van de oceaan.

In Death Valley National Park zijn naast woestijn ook zoutvlakten, rotsformaties, canyons, zandduinen en bergen. Het dal kreeg zijn naam in 1849 tijdens de Goldrush. De naam werd gegeven door immigranten die de vallei wilden oversteken op weg naar het goud. Volgens het verhaal zou men proberen door de vallei te trekken met een grote groep om naar het goud te komen. Men raakte de weg kwijt en was bang dat men zou omkomen. Er werd besloten om in twee groepen verder te gaan. Eén groep zou daarbij geheel omgekomen zijn, de andere groep zal het gehaald hebben. Wanneer men de vallei uitliep, zou een vrouw zich hebben omgedraaid en hebben gezegd: “Goodbye, Death Valley”. Hier zou de vallei zijn naam aan te danken hebben.

In de jaren 1850 werd er ook goud en zilver in Death Valley aangetroffen. In 1880 werd borax aangetroffen en gewonnen. Het werd uit het gebied vervoerd met wagens getrokken door (20) muilezels, de zogenaamde 20 mule-wagons. Al snel bleek deze manier van vervoer onrendabel en werd de boraxwinning beëindigd.

Death Valley is de op één na heetste plek op aarde en de droogste plek van Noord-Amerika. De hoogste temperatuur die hier ooit gemeten is 56.7 °C, in Furnace Creek op 10 juli 1913. Het gebied is zo droog omdat er een aantal bergruggen ligt tussen de vallei en de Stille Oceaan. Wolken regenen leeg op deze bergruggen, waardoor er in Death Valley vrijwel nooit regen valt, minder dan 50 mm per jaar. Bovendien ligt het gebied zeer laag, in Death Valley bevindt zich het laagste punt van de Verenigde Staten. Dit laagste punt bestaat uit een zoutmeer, Badwater genoemd, en ligt 86 m onder de zeespiegel. Het hoogste punt in Death Valley heet Telescope Peak en ligt op een hoogte van 3368 meter boven zeeniveau. In de maanden juli en augustus worden extreem hoge temperaturen gemeten, oplopend tot 55 graden Celsius of hoger. De hoogste gemiddelde maximumtemperatuur bedraagt 46.6 °C in de maand juli. Vanaf mei tot september overschrijdt het kwik geregeld de 50 graden grens.

Ook al valt er weinig regen, er kunnen in de canyons onderaan de bergen toch overstromingen optreden. De bodem kan, o.a. door het vrijwel ontbreken van plantengroei, vrijwel geen water opnemen. Een voorbeeld is Golden Canyon , waar de wegverharding in 1976 is weggespoeld.

Overigens is Death Valley pas in 1994 (door Bill Clinton) uitgeroepen tot Nationaal Park. Sinds 1933 was het al wel een Nationaal Monument.