Zondag 24, maandag 25 en dinsdag 26 januari 2010 – De afgelopen drie dagen hebben we in Melbourne doorgebracht. Op zondag zijn we naar de Botanic Gardens geweest. We hebben vanaf de camping de bus genomen naar het station en zijn met de trein verder gegaan (de bushalte was tegenover de camping). Ik weet niet hoe duur het openbaar vervoer in Nederland is, maar hier was het op zondag een speciale prijs en wel $ 3,30 (zo’n € 2,05) en daar kon je dan de hele dag voor reizen met zowel de bus, trein als de metro. Op maandag moesten we iets meer betalen, maar voor een hele dag was dat zo’n € 5,75. Omdat parkeren in de stad bijna niet te doen is met de camper en de trein midden in de stad stopt was de keuze niet zo moeilijk. We hebben ook nog een wandeling langs de Yarra Rivier gemaakt, deze loopt door de stad en kwamen zo ook langs het Melbourne Park waar de Australian Open op dit moment plaatsvindt. We hebben dan ook de nodige limousines zien rijden, de ruiten geblindeerd, zodat we niemand gezien hebben. Niet dat we iemand zouden herkennen want wij hebben niet zoveel met tennis. Omdat het zondag was en in verband met de Australian Open, was het vrij druk in de stad en hebben we ook niet alles kunnen zien. Op maandag zijn we dan ook nog terug gegaan en hebben we een nieuw gedeelte van de stad bekeken. Dit is het gebied dat de Docklands heet en het is nog vrij nieuw nl. van 2008. We hebben hier onder andere gewinkeld. Er zou ook een reuzenrad staan; de Southern Star, met een hoogte van 120 meter. Dit zou dus goed te zien moeten zijn, maar wij konden hem nergens vinden. Wat bleek het rad was afgebroken en heeft in totaal slecht 2 maanden gedraaid. In december 2008 is hij in gebruik genomen, nadat er 2 jaar aan gebouwd was. Na de hittegolf in januari 2009 ontdekte men scheurtjes in het staal. Het rad is toen gesloten en onderzocht. Het bleek dat de scheurtjes niet door de hittegolf ontstaan waren, maar een probleem in het ontwerp zelf waren. Het rad is vervolgens afgebroken en de onderdelen zijn teruggestuurd naar de fabrikant om te repareren. Verder is de Docklands een modern stuk Melbourne. Er is een mooie wandelpromenade met moderne eet- en drinkgelegenheden. Ook staan er veel appartementencomplexen.
Omdat we dinsdagavond met de ferry naar Tasmanië zouden gaan, moesten we de dinsdag nog overbruggen. Je moet om 10.00 uur uitgecheckt zijn bij de camping, zodat we met de camper waren. We hebben besloten om de dag door te brengen in Albert Park. Frans wilde dit park graag zien omdat hier ook de Formule 1 wedstrijden worden verreden. Het was redelijk druk want het was Australia Day en de meeste Australiërs zijn dan ook vrij. Eerst hebben we een rondje rond de vijver gewandeld, een formule 1 rondje zeg maar (in ietsjes meer tijd dan een Formule 1 auto…). Daarna hebben we wat boterhammen gegeten en zijn toen op een bankje gaan zitten gewoon mensen (be)kijken. Ook hier weer veel gezinnen die gebruik maken van de barbecues die in het park staan. Er wordt ook veel gesport; hardlopen, voetballen en ook veel cricket. Rond 16.00 uur zijn we richting de haven gereden. Vanaf 17.00 uur konden we namelijk inchecken op de ferry. Toen wij aan kwamen rijden stonden er al heel veel auto’s te wachten en toevallig begonnen ze net met inchecken op het moment dat wij aankwamen. Wij konden dan ook meteen doorrijden. Iedereen werd gecontroleerd. Er mogen nl. geen aardappel- en fruitproducten Tasmanië mee ingenomen worden. Dit in verband met ziektes en ongedierte. De camper werd ook doorzocht en er werd zelfs onder de motorkap gekeken. Daarna was het doorrijden de ferry in. Nadat de auto op z’n plaats stond konden we naar boven naar het dek. De auto’s worden daarna vastgezet, maar hoe dat precies in zijn werk gaat konden we niet zien. Op de ferry zelf is er genoeg te doen/zien. Er is een informatiecentrum, een bioscoop, twee restaurants/bars en zelfs een gokhal. Ook heeft iedereen een slaapplaats. Er zijn cabines beschikbaar, maar daar moet extra voor betaald worden. Achterin (of voorin ligt er aan welke kant je opvaart) is een gedeelte met stoelen en daar hadden wij 2 stoelen. Het lijkt een beetje op een vliegtuig alleen zijn de stoelen dan wel luxer. Eerst zijn we wat gaan eten en daarna hebben we tot zonsondergang op het dek gezeten. Daarna hebben we onze stoelen opgezocht en geprobeerd wat te slapen, maar van slapen is er niet zoveel gekomen. Het stel voor ons had ruzie en achter ons lag een man stevig te snurken. ‘s Morgens om 5.40 uur werd er omgeroepen dat we rond 6.30 uur naar de auto zouden kunnen gaan om aan land te gaan. Nadat we van boord waren gegaan zijn we nog een keer gecontroleerd en konden we aan ons avontuur op Tasmanië beginnen!


Vrijdag, 22 januari 2010 – Vandaag hebben we een paar uur gewandeld in het Wilson Promontory National Park. Het park ligt in het zuiden en loopt tot aan de zee. De enige weg ernaar toe is dan ook de enige weg in het park. In het park ligt het “plaatsje” Tidal River. Eigenlijk is het geen plaats maar een informatiecentrum en een camping. Het park is heel erg geliefd bij de Australiërs. We lazen dat je al zo’n 12 maanden van tevoren moet boeken om een plaatsje te kunnen bemachtigen! De reden is dat er voor iedereen wel wat te doen is. Je kunt het strand op en zo de zee in en er loopt ook een rivier door het park. Hierdoor is er ook een stuk met ondiep water wat weer ideaal is voor gezinnen met kinderen. Ook zijn er diverse wandelingen uitgezet in het park en kun je kiezen uit diverse lengtes en moeilijkheidsgraden. We hadden gekozen voor een rondje van zo’n 3,8 kilometer, maar hebben onderweg nog een afslag genomen naar een uitzichtpunt. Daarna hebben we ervoor gekozen om een tweede wandeling eraan vast te plakken, zodat we in totaal zo’n kilometer of 8 hadden. Een beetje onze gebruikelijke afstand. De wandeling was in het begin vrij pittig en ging vrij steil omhoog. Daarna was het vrij vlak en natuurlijk op het eind weer bergafwaarts. We hebben een deel langs het water gelopen en ook een deel door het bos. Er was in februari 2009 een grote brand geweest in het park en dat was nu nog goed te zien aan de nog vele zwarte bomen. Bij het informatiecentrum waren ook foto’s opgehangen van de brand en van de dieren die ze toen nog gered hebben. De brand is ontstaan door blikseminslag en heeft een groot deel van het park verwoest. Gelukkig begint alles weer goed te groeien nu. Kortom een heel mooi park en zeer de moeite waard.
Donderdag, 21 januari 2010 – Op weg naar Foster zijn we op een drietal plaatsen gestopt. Dit op aanraden van een medewerkster van het informatiecentrum. Op weg naar de eerste plaats, Port Albert, werden we aangehouden door de politie. Er was een alcoholcontrole (om 10.00 uur ‘s morgens). Deze keer reed ik (Cora) en ik kwam dan ook met vlag en wimpel door de blaastest. Het dorpje Port Albert staat bekend om zijn fish en chips. Dit (typisch Engels) gerecht wordt hier in Australië ook heel graag gegeten. Omdat het nog vroeg was, hebben wij ze niet gegeten. Overigens is het de gewoonte om er azijn over te sprenkelen, hetgeen ons niet echt smakelijk lijkt. Daarna zijn we nog gestopt bij een historisch kerkhofje. Dit lag aan een rivier en er lagen nog graven van rond 1870. Sommige grafstenen waren nog leesbaar en zo konden we zien dat er iemand gestorven was omdat hij door de bliksem getroffen was in zijn boot. Een andere persoon was “per ongeluk” verdronken toen hij zich in de rivier aan het wassen was. Op het kerkhof waren ook een aantal mannen bezig met het onderhoud (gras maaien etc). Toen wij voorbij kwamen lopen, werd de grasmachine meteen stilgezet en werden we aangesproken. Waar we vandaan kwamen, hoe lang we al in Australië waren en hoe lang we nog bleven, waar we naartoe gingen en vooral wat we niet mochten missen op onze reis. De betreffende persoon raadde ons het Tarra-Bulga National Park aan; hij deed daar ook het onderhoud van de wandelpaden. Ook gaf hij aan dat het Wilson Promontory National Park zeer de moeite waard was. Allebei de parken stonden al op onze lijst en hij was dan ook zeer “tevreden”. Afijn na een tijdje kletsen besloot hij toch weer maar om aan het werk te gaan en konden wij ook weer verder.
Woensdag, 20 januari 2010 – Vandaag hebben we een aantal wandelingen in het Tarra Bulga National Park gemaakt. Dit is echt een heel mooi gebied, met heel veel varens. Ook staan hier nog hele oude bomen, die zo’n 70 meter hoog zijn, Giant Mountain Ash Trees. Het gebied waar het park in ligt is een deel van de “Strzelecki Ranges”. Deze zijn genoemd naar hun “ontdekker” een Poolse ontdekkingsreiziger die het gebied in kaart bracht, met behulp van zijn Aboriginalgids, Charlie Tarra. In eerste instantie werd het hele gebied gebruikt door boeren, maar al in 1904 werd een deel tot park verklaard. Twintig hectare werd hiervoor gereserveerd en kreeg de naam “Bulga” hetgeen een aboriginal woord is wat “berg” betekent. Vijf jaar daarna werd in de Tarra Valley een gebied van 303 hectare gereserveerd om park te worden en genoemd naar de aboriginalgids Charlie Tarra. In 1986 werden beide parken samengevoegd en de naam Tarra-Bulga National Park werd hiervoor gekozen. Ondertussen is het park 2000 hectare groot en beschermt het het Mountain Ash bos en het niet-tropische regenwoud.
Maandag 18 januari en dinsdag 19 januari 2010 – Maandag heeft het nagenoeg de hele dag geregend. Van ons geplande programma, bestaande uit een wandeling bij Mount Baw Baw en een bezoek aan “Old Gipstown” in Moe kwam dus niets terecht. We zijn wel even gestopt in het plaatsje Noosjee waar we een korte wandeling hebben gemaakt. Ook hebben we daar, het was toch lunchtijd, een sandwich gegeten. En ze waren heerlijk! Het bleek ook dat dit “zaakje” vorig jaar een prijs had gewonnen voor de beste “business” in de omgeving. Ik zeg bewust “zaakje” want zoals in alle kleinere plaatsjes die we tegen gekomen zijn was het hier ook weer een combinatie van bezigheden. In dit geval: coffeeshop, restaurantje, postkantoor, supermarktje, souvenirwinkeltje, bed en breakfast. En waarschijnlijk ben ik er nog een paar vergeten….We hebben nog en praatje gemaakt met de eigenaar en die bleek een fan te zijn van Belgisch bier, in het bijzonder van “Chimaney”. Er kwamen wat nieuwe klanten binnen dus het was ons niet duidelijk of hij vaak in België kwam of dat hij het bier ergens lokaal van kende. Overigens zijn we pas ergens geweest waar ze Stella Artois zelfs vanuit de tap schonken. Sommige Belgische bieren zijn hier blijkbaar wel bekend. Ook zie je bijna overal wel reclame van Heineken, toch Nederlands bekendste exportproduct denk ik.
Zondag 17 januari 2010 – Vandaag was het een wat koelere dag dan gisteren, zo’n 23 graden, en wat denk je: we vonden het koud! Vreemd hoe snel je je min of meer aanpast aan wat de normale temperaturen ergens zijn. Hoewel ik niet denk dat we erg zouden kunnen wennen aan temperaturen die constant rond de nul graden zouden liggen. Misschien ooit toch eens proberen, maar nu ff niet.
Zondag 17 januari 2010 – Vandaag was het een wat koelere dag dan gisteren, zo’n 23 graden, en wat denk je: we vonden het koud! Vreemd hoe snel je je min of meer aanpast aan wat de normale temperaturen ergens zijn. Hoewel ik niet denk dat we erg zouden kunnen wennen aan temperaturen die constant rond de nul graden zouden liggen. Misschien ooit toch eens proberen, maar nu ff niet.
Zaterdag, 16 januari 2010 – Vandaag zijn we de hele dag naar het Healesville Sanctuary geweest. Dit is een dierentuin in Healesville, waarvan David Fleay (David Fleay Wildlife Park) een van de eerste directeuren is geweest. Er zijn hier alleen Australische dieren te zien en geen leeuwen etc. Heel mooi was de dierenkliniek, waar je ook een kijkje mocht nemen. Het was heel educatief. Er waren diverse computers met verschillende onderwerpen en vragen die je daarover kon
Verder worden er in Healesville Sanctuary veel shows en informatie gegeven. Zo was er een birds of prey show en daarna kwam een man uitleg en een demonstratie geven van de didgeridoo en boemerangs. Met de dingo’s wandelt men dagelijks door het park. Er is een papegaaishow, die vandaag helaas niet doorging omdat het te warm was (zo’n 38 graden). Verder komen de diverse verzorgers gedurende de dag een praatje houden bij de dieren die zij verzorgen, zoals de pelikanen, reptielen, koala’s, kangoeroes en de zogenaamde lyrebirds met hun mooie staart (foto).
Vrijdag, 15 januari 2010 – Vanmorgen gelukkig weinig tot geen spierpijn van de wandeling van gisteren en zijn we doorgereden naar Healesville. We willen hierna de Great Alpine Road gaan rijden voor we naar Tasmanië afreizen. Onderweg kwamen we door een heel mooi bos, het zogenaamde Black Spur. Dit was echt een heel erg mooie weg, met hele hoge bomen en heel veel varens. Halverwege het bos was een picknickplaats en daar zijn we gestopt. Er was een wandeling uitgezet van de picknickplaats naar een picknickplaats aan het begin van het bos, in totaal 9 kilometer. Maar om weer bij de camper te komen dus in totaal 18 kilometer. Dit vonden we een beetje te veel na de 15 kilometer van gisteren, zodat we gewoon het pad op gegaan zijn en zoiets hadden van als we het beu zijn gaan we gewoon terug. Na een drie kwartier gewandeld te hebben kwamen we bij een stroompje en daarna was het pad vrijwel onbegaanbaar door heel veel omgevallen bomen.
De reden voor de vele omgevallen bomen was omdat er in maart 2009 een enorme brand is geweest. Deze dag staat bekend als Black Saterday. We zijn maar omgedraaid en terug naar de picknickplaats gewandeld. Ondertussen was het een uur of 1 en zijn we een boterham gaan eten op de picknickplaats. Het valt ons wel op dat heel veel Australiërs dat ook doen. Bijna alle bankjes waren bezet. Nu is het weer hier natuurlijk iets beter dan in Nederland en de voorzieningen op zo’n picknickplaats ook; hier waren ook weer (hele schone) toiletten en barbecues voor algemeen gebruik. Na de lunch zijn we doorgereden naar Healesville en hebben eerst het informatiecentrum bezocht. Na de nodige informatie over Healesville en omgeving gekregen te hebben, zijn we het stadje zelf nog ingewandeld. Daarna nog even wat boodschappen gedaan en naar de camping gegaan. Nu hebben we al veel campings gezien tijdens onze reis hier, maar deze steekt er echt met kop en schouders bovenuit. De camping ziet er prachtig uit en de douches en toiletten (niet geheel onbelangrijk) zijn echt heel erg netjes en schoon. Ook is het hier heel rustig. We hebben dus gelijk maar drie nachten geboekt. Morgen gaan we in ieder geval de hele dag naar het Healesville Sanctuary en overmorgen gaan we de ferry boeken en de precieze route langs de Great Alpine Road uitstippelen.
Donderdag, 14 januari 2010 – ‘s Morgens wakker geworden van de natuurlijke wekkers die we hier weer hebben, namelijk kaketoes. Hele mooie vogels, maar jeetje wat kunnen die beesten krijsen zeg. Daarna op weg gegaan naar onze eindbestemming van vandaag, Eildon. Onderweg zijn we gestopt in het Eildon Lake National Park om wat te wandelen. Eerst zijn we bij de ranger gestopt om te vragen of er betaald moest worden om het park te bezoeken. Dit bleek niet het geval te zijn, je had alleen een vergunning nodig om te overnachten. De ranger had gelijk wat tips voor wandelingen. Of wij hebben het helemaal verkeerd begrepen of de uitleg klopte niet, maar de ranger tekende een wandeling op de kaart van het nationaal park en zei dat ze die gisteren met een groep gedaan hadden – op hun gemak aan – en daar zo’n 2 uur en 20 minuten over gedaan hadden. Wij hadden zoiets van nou ja zo’n 2½ uur wandelen dat moet wel kunnen. De temperatuur was zo’n 32 graden, maar de wandeling liep voor een groot gedeelte door het bos, dus dat was goed te doen. Na de camper geparkeerd te hebben bij het beginpunt van de wandeling, zagen we dat het eerste stuk behoorlijk pittig was. Dit was namelijk vrij steil omhoog (en dan zonder treden) op een stuk met losse stenen. Het was een stuk van 3,6 kilometer en volgens de beschrijving stond daar al 1½ uur voor. Het uitzicht boven wel heel erg de moeite waard, je keek zo over het meer uit en over de bossen. Daarna ging de wandeling over een vrij vlak stuk, maar ja als je omhoog gaat moet je ook weer naar beneden en dat was ongeveer even steil als het stuk naar boven. Ook hier weer volop losse stenen en we zijn dan ook een paar keer onderuit gegaan. Gelukkig zijn we heelhuids beneden gekomen.
Na nog een tijdje gewandeld te hebben, zaten we al op zo’n 2 uur en een kwartier, maar kregen het idee dat we nog lang niet bij de camper in de buurt waren. Dit bleek ook te kloppen, want wij kwamen bij een bordje waar het eindpunt van onze wandeling op stond, met daarbij dat het nog 7 kilometer was! Dit was wel even schrikken, maar ja we hadden weinig keus we moesten doorgaan. Het volgende gedeelte van de wandeling liep wel door het bos dus wel koeler, maar er zaten hier ontzettend veel spinnen. Ik (Cora) ben dan ook tot 2x toe in een spinnenweb gelopen en alhoewel ik niet bang ben van spinnen, zitten hier angstaanjagende exemplaren die ook ik niet graag op mijn lichaam wil hebben. Frans heeft dus het voortouw genomen en met een stok om de spinnenwebben weg te slaan, zijn we verder gegaan. Het laatste stuk liep langs de rand van het meer en na bijna 4 uur gewandeld te hebben, zagen we de camper weer staan. In totaal bleken we zo’n 15, 5 kilometer gelopen te hebben.
insdag en woensdag, 12 en 13 januari 2010 – Vanuit Geelong zijn we in een keer, een rit van zo’n 200 kilometer, doorgereden naar Seymour. Het was een mooie rit, waarbij weilanden afgewisseld werden door bossen en bergen. Onderweg zagen we paarden, schapen, geiten, koeien en zelfs lama’s. Ook zie je hier nog veel wijngaarden. Er stonden hele leuke optrekjes op de heuvels met daaromheen met wit hekwerk afgezette weilanden met paarden. En ook echt grote weilanden zo van als je problemen hebt je paard uit de wei te halen als je wilt gaan rijden, dan wil je zeker niet dat ze in zo’n wei staan. De paardenmensen onder jullie begrijpen wel wat ik bedoel
Zondag, 10 januari 2010 en maandag, 11 januari 2010– We hebben het 2e gedeelte van de Great Ocean Road gereden. We zijn vanuit Colac weer naar het zuiden afgezakt; een mooie weg die door het Otway National Park loopt, een bosrijk gebied. Toepasselijker kan bijna niet, maar onderweg zijn we door een dorpje gereden met de naam “Forrest”. Bij Skenes Creek zijn we de Great Ocean Road weer opgegaan. Op zich is het wel beter om de Great Ocean Road andersom te rijden. De uitzichtpunten liggen namelijk (uiteraard) allemaal aan de kant van de zee en omdat ze hier links rijden, is het makkelijker om te stoppen. Zoals wij hem gereden hebben, moet je toch iedere keer oversteken en aangezien het een vrij drukke en bochtige weg is, is het niet echt overzichtelijk. Ook liggen de meeste en mooiste uitzichtpunten liggen in het stuk tussen Princetown en Peterborough en het is leuker om het mooiste voor het laatst te bewaren. Bij Lorne hebben we een overnachting geboekt. Ook hier weer een drukte vanjewelste en dat was ook aan de prijs te merken. Dit was de duurste overnachting die we tot nu toe gehad hebben, namelijk $ 50,– (zo’n € 35,00). Het uitzicht was wel heel erg mooi dat moeten we wel toegeven (zie foto). Na de camper geparkeerd te hebben, zijn we naar de pier gewandeld. Daarna hebben we het wandelpad langs het strand gevolgd dat helemaal tot in het dorp zelf liep. Op het strand in het dorp was het erg druk en dat kwam omdat hier lifeguards aanwezig waren. Op andere stranden staat altijd een bord dat er geen toezicht is en wordt het geadviseerd om hier niet te gaan zwemmen. In het dorp hebben we wat gedronken bij een leuk tentje, Indian genaamd. Voor degenen die niet bekend zijn met de naam Indian, dit zijn prachtige Amerikaanse motoren. In het café hingen dan ook verschillende antieke exemplaren aan de muur.
Vrijdag 8 januari 2010 en zaterdag 9 januari 2010 – Alhoewel we eigenlijk van plan waren maar een nacht door te brengen op de camping in Colac hebben we nog 2 nachten bijgeboekt. Dit omdat we even een paar daagjes rustig aan wilden doen en de camping heel goed beviel. Het is een rustige camping net buiten de stad en ons plekje heeft uitzicht op weilanden (geiten, schapen en koeien). Ook is alles heel netjes verzorgd en we hebben het ook wel eens anders gezien. Twee dagen dus vrij weinig gedaan; we hebben wel boodschappen gedaan en ook weer eens lekker gewinkeld. Omdat de camping echter geen internet heeft, hebben we bij het informatiecentrum gevraagd of we ergens het net op konden en dan wel met onze eigen laptop. Eigenlijk was er alleen de bibliotheek, maar daar kun je alleen gebruik maken van hun computers en wij laten liever geen wachtwoorden achter op een vreemde computer. Maar een oplossing werd gezocht en gevonden; de plaatselijke computerzaak werd gebeld en ja hoor daar mochten we wel even een uurtje gebruik maken van het net. Maar ja een paar verhaaltjes op de site zetten, de mail checken en wat mail versturen en een uurtje is zo voorbij. De rest van de dag hebben we dan ook gewoon lekker op de camping doorgebracht een beetje gelezen en in het zonnetje gezeten. Wel hebben we zaterdag nog de Red Rock Volcanic Reserve Drive gereden. Dit was een rit van ongeveer zo’n 70 kilometer die langs meren ging, die ontstaan zijn door vulkaanuitbarstingen. Het eerste uitzichtpunt had uitzicht op een meer moeten geven, maar helaas geen meer te zien. Aan de gehele route lagen zo’n negental meren en we hebben maar in 2 meren (in de verte) water gezien. De buren op de camping vertelden ons dat dit het derde jaar op rij is dat er in Australië een droogte is en dat is ook de reden dat veel meren opgedroogd zijn. In veel plaatsen is het ook verboden om de tuin te sproeien en de auto te wassen wegens het watergebrek. De eerste keer dat wij water verwacht hadden – en dat was bij de Bool Lagoon – vonden we het nog wel grappig om te zien, maar de verhalen nu gehoord te hebben is het toch vrij ernstig. Bij het uitzichtpunt was zelfs een hele picknickplaats en speelplaats voor de kinderen aangelegd. Er waren ook openbare toiletten en dat betekent toch dat, toen er nog water was, het een druk bezochte plaats moet zijn geweest. Nu lag het er allemaal maar verlaten en verwaarloosd bij. Er stonden ook bordjes met daarop afbeeldingen en namen van dieren die in en op het meer voorkwamen waaronder een watersalamander die bedreigd werd met uitsterven maar in dat meer nog wel voorkwam. De enige herinnering aan het feit dat er een meer was geweest, was het bord dat er stond met daarop de naam “Lake Cundare”. Ook hebben we nog een wandeling gemaakt door de botanische tuin in Colac. Niet zo indrukwekkend als de botanische tuin in Adelaïde, maar ook heel mooi om te zien. Bij de ingang van de tuin stond zelfs speciaal aangeplakt dat ze voor het besproeien van de tuin ontheffing hadden verkregen. De tuin ligt (althans lag) aan de rand van het Colac meer. Dit is een groot zoutmeer waar het water drie keer zo zout is als in de zee. Er zat gelukkig nog wel water in dit meer, maar de kustlijn was ook een heel stuk teruggetrokken. Er lag een pier en deze liep vast ooit tot in het water, maar liep nu gewoon boven land.