Spirit of Tasmania
Zondag 7 februari 2010 en maandag 8 februari 2010 – Vanuit Haspden, waar we de nacht hebben doorgebracht, is het maar een klein stukje door naar Devonport. We konden dan ook lekker op ons gemak aan doen. Hoewel we het eerlijk gezegd al ruim 3 maanden lekker op ons gemak aan doen…
De eerste stop die we gepland hadden was in Westbury, daar zit een fototentoonstelling van John Temple, een fotograaf die gespecialiseerd is in het maken van landschapsfoto’s. En er hingen mooie platen tussen. Het leuke was om te zien hoe de gebieden waar we geweest zijn de afgelopen weken er in andere seizoenen uitzien.
Daarna zijn we doorgereden naar een “raspberry-farm”, maar ook daar zagen we weer dat de kwaliteit van de aangeboden frambozen, net als bij de aardbeien, niet te vergelijken is met hetgeen we in Nederland gewend zijn. Wat dat betreft kunnen ze hier nog wel wat leren. Bij de volgende stop, een Cherry-shed, zag het er allemaal wat beter uit. Daar hadden we nog een klein meevallertje; Cora bestelde een pond kersen maar de dame achter de toonbank woog teveel af, bijna 1,5 kilo. Toen we haar er op wezen zei ze sorry en haalde wat kersen uit de zak en zei “zo zal het wel goed zijn. We zagen nog net dat de weegschaal bijna 1 kilo aangaf maar we hoefden maar voor een pond te betalen.
Vlak voor Devonport ligt het plaatsje Latrobe waar we nog gestopt zijn om even door de hoofdstraat te lopen. De dame van het visitorcentre in Deloraine had al gezegd dat er in die straat een aparte winkel zat: Reliqueaire geheten. En het was inderdaad een heel aparte winkel. Hij stond van voor tot achter vol met poppen, kasten met sieraden, wanden met Venetiaanse maskers, kasten met spellen, boeken, beeldjes, maar ook allerlei deurbeslag, behang, tegels, houten modelschepen, beeldjes, thee etc. etc. Te veel om op te noemen, echt bomvol. Heel veel dingen waren antiquiteiten en ook als zodanig geprijsd. De dame had in ieder geval niets teveel gezegd, de winkel was heel apart. Jammer genoeg mocht je geen fototoestel mee naar binnen nemen, want het is eigenlijk niet te beschrijven, je moet het gewoon zien.
Latrobe is verder bekend van het “House of Anvers”. Dit is een chocoladeproducent van Belgische chocolade. De eigenaar/oprichter komt oorspronkelijk uit Antwerpen waar hij het vak geleerd heeft. Op uitnodiging is hij naar Australië gekomen om daar in een bakkerij te gaan werken. Na een aantal jaar besefte hij dat nagenoeg alle chocoladeproducten geïmporteerd werden en hij besloot dan ook om een fabriekje op te gaan zetten. Dat bleek zo’n succes te zijn dat hij op dit moment zelfs zelf de chocolade exporteert naar Japan. Na daar wat chocolade te hebben geproefd, en gekocht, zijn we door gereden naar de camping in Devonport om ons voor te bereiden op de overtocht morgen.
Op het moment dat ik dit schrijf, maandag 8 februari, zitten we aan boord van de Spirit of Tasmania II, op weg naar Melbourne. En omdat het posten waarschijnlijk iets achter loopt op de werkelijke datum, zijn we waarschijnlijk al weer halverwege tussen Melbourne en Sydney nu je dit zit te lezen..
Omweggetje
Zaterdag 6 februari 2010 – Vanwege het slechte weer de afgelopen dagen hebben we wat meer kilometers gemaakt dan we verwacht hadden. Vandaag konden we dan ook een kleine omweg maken en terug naar het zuiden rijden om daarna vanuit Launceston terug naar Devonport te rijden om daar maandag aanstaande de pont terug naar het vasteland te nemen. Vanmorgen zijn we dan ook vanuit Low Head richting Launceston gegaan om onderweg een paar stops te maken. De eerste stop was bij de ruïnes van een oude graanmolen die door water aangedreven is geweest. Buiten de borden waar wat uitleg op stond, waren het inderdaad wat stenen te zien van wat eens de molen is geweest. Een echte ruïne dus. Een stuk verderop was er nog een uitzichtpunt vanwaar je een mooi overzicht hebt over de Tamar-rivier en de Tamar-vallei. Dit is een mooi groen gebied waar ook weer behoorlijk wat wijngaarden zitten. Ook wordt er veel lavendel verbouwd, een van de kwekers heeft 72 soorten in zijn assortiment!
De volgende stop was bij het Tamar Island Wetlands park. Dit park beslaat een gedeelte van de Tamar rivier en verbindt een aantal losse eilandjes door middel van een boardwalk. De wandeling die je hierover kunt doen duurt ongeveer een uur. Je loopt dan ook via verschillende bruggen van eiland naar eiland. Het was laag water en we konden dan ook behoorlijk wat vogels in de modder en plassen water naar vissen zien vissen. Met wisselend succes. De reigers waren er een stuk handiger in dan de meeuw die we bezig zagen. Dit park wordt helemaal gerund door vrijwilligers en het informatiecentrum ziet er zelfs professioneel uit. Er wordt ook geen entree geheven, maar men vraagt een donatie van $3,00 p.p., ca. €1,90 – geen geld vonden wij.
Na de wandeling zijn we nog even Launceston ingegaan om een bezoekje te brengen aan de “Cataract Gorge”, een opening in de bergen waar een riviertje door stroom wat uitkomt in en redelijk groot meer. Dit meer en het zwembad wat ernaast ligt is, zover we zagen, een populaire recreatiebestemming voor veel mensen, het was er redelijk druk in ieder geval. Je kunt een wandeling maken rond het meer, waarbij je dan over een hangbrug gaat. Ook is het mogelijk naar een verder gelegen brug te lopen, maar dat hebben we niet meer gedaan.
Vanuit Launceston zijn we een stukje doorgereden naar Hapsden om een plaatsje te zoeken op de camping daar. We hadden het allerlaatste plaatsje, dus dat was geluk hebben. Morgen verder, naar Devonport.
Pinguins
Donderdag, 4 februari en vrijdag 5 februari 2010 – De afgelopen twee dagen zijn niet geheel verlopen zoals we gepland hadden. We hadden nl. twee nachten in Bicheno geboekt omdat daar een tweetal nationale parken in de buurt liggen. Zo is er het Freycinet National Park op zo’n 35 kilometer en het Douglas Apsley Nationaal Park op zo’n 10 kilometer van Bicheno. Donderdagochtend was het een beetje miezerig en zijn we naar het Douglas Apsley Nationaal Park gereden. Hoe dichter we bij het park kwamen hoe harder het ging regenen. De weg ernaartoe is de laatste 6 kilometer ook nog eens onverhard dus in de regen nog moeilijker te berijden. Omdat we nu toch al dat stuk gereden hadden, besloten we toch gewoon te gaan wandelen. Dus regenjassen aan en wandelen maar. Voor de wandeling die wij uitgezocht hadden, duurde 2 tot 3 uur en ging langs dezelfde weg terug, dus we hadden zoiets van we kunnen altijd omkeren als het nog slechter wordt. Maar wat bleek, de wandeling was afgesloten vanwege brandgevaar! We konden dus na 10 minuten lopen gewoon niet verder. Ondertussen waren we (onze broeken dan) wel zeiknat geworden. Wij dus maar terug en ons omgekleed in de camper. Weer een voordeel van je hele huis bij je hebben. Daarna zijn we teruggereden naar Bicheno en wat bleek daar stond het dus helemaal niet te regenen. Waarschijnlijk is de regenbui blijven hangen boven het park vanwege de bergen. Om maar niet het risico te lopen dat er in het Freycinet National Park ook wandelpaden afgesloten waren wegens brandgevaar – er zijn de laatste tijd een aantal fikse branden in Tasmanië geweest – hebben we besloten om de dag verder in Bicheno door te brengen. We zijn eerst naar de Blowhole geweest. Het was opkomend tij dus er waren grote geisers te zien. Daarna hebben we een wandeling langs de kust gemaakt met een stop bij een (heel) klein aquarium waar ze o.a. zeepaardjes hadden. Dat zijn echt prachtige beestjes en als je ziet zwemmen lijkt het net of ze zweven.
’s Avonds begon het stevig te regenen en ook de hele nacht heeft het flink doorgeregend. Donderdag zijn we vertrokken richting St. Helens waar de zogenaamde Bay of Fires is. Dit is een kuststrook en heet zo omdat toen de Engelsen voor het eerst daar aankwamen ze verschillende vuren zagen, wat later de kampvuren van de Aboriginals bleken te zijn. Echter omdat het de gehele ochtend al stond te regenen zijn we eerst langs het informatiecentrum in St. Helens gegaan voor de weersverwachting. Het bleek dat het de gehele dag nog zou blijven regenen en omdat het door de regen ontzettend mistig was langs de kust, had het geen zin om naar de Bay of Fires te gaan. We zijn dus maar doorgereden naar Low Head, waar we eigenlijk pas een dag later naartoe zouden gaan. Onderweg zijn we nog wel gestopt bij de St. Columba Falls en omdat het dus zoveel geregend had, was de waterval heel mooi. Op het informatiebord stond dat de waterval een van de hoogste in Australië is (90 meter) en dat er gemiddeld (zomer en winter) zo’n 42.000 liter water per minuut naar beneden komt. In de winter als het veel geregend heeft, gebeurt het zelfs dat er 200.000 liter water per minuut naar beneden komt! Op de foto zie je al wel dat het een grote waterval is, maar als je er bij staat en dan met dat geluid dan is het pas echt imposant.
Na een korte pauze voor een bakje koffie bij een kaasboerderij met Friese koeien(!) zijn we doorgereden naar Low Head. Hier hebben we ’s avonds een pinguinexcursie gedaan. In Zuid-Australië en Tasmanië komen de zogenaamde Fairy of Little Penguins voor. Dit zijn hele leuke kleine pinguins van zo’n 30 tot 40 cm hoog en met een gewicht van slechts 1 kilo. Op dit moment was het broedseizoen. De pinguinsouders zijn overdag druk met eten en zijn dan ook van zonsopkomst tot zonsondergang in zee te vinden. De kleintjes zitten in zogenaamde “burrows”. Dit zijn holen die gemaakt zijn in een bepaald soort struikgewas wat aan de kust voorkomt. Om van de zee naar de burrows te komen, moeten de kleine pinguins over het strand. Echter zijn ze dan het meest kwetsbaar. Er wordt dan ook gewacht tot het donker is voordat ze uit zee komen. Ze staan dan aan de waterrand en wachten tot er een hele groep gevormd is. Als er dan eentje zoveel moed verzameld heeft om het strand over te wandelen, volgt de rest ook. Echt een heel leuk gezicht om al die kleine beestjes over het strand te zien wandelen. Op http://www.penguintours.lowhead.com/index.html kun je het een en ander over de pinguins lezen. Om de pinguins niet te laten schrikken – ze gaan dan terug de zee in en de jongen worden niet meer gevoerd – was het niet toegestaan om bij het fotograferen te flitsen. De gids had wel een speciale lamp bij en scheen af en toe op de pinguins, maar ook telkens maar kort. Het is wel gelukt om een redelijke foto te maken, maar vanwege het nachtlicht komen de kleuren niet tot zijn recht. De pinguins zijn wit met blauw. Om ervoor te zorgen dat niemand de pinguins aanraakt, had de gids een opgezet exemplaar bij om iedereen toch de kans te geven een pinguin aan te raken.
Vroeger
Woensdag, 3 februari 2010 – Om bij onze volgende stop – Bicheno, waar we twee nachten zullen blijven – te komen, hebben we een gedeelte van de zogenaamde Heritage Highway gevolgd. In Tasmanië heeft men een aantal routes uitgezet om te volgen, die ieder door een deel van Tasmanië lopen, zo heb je “The Rivers Run”, “The Convict Trail” en de “Heritage Highway”. Deze route loopt door een aantal plaatjes waar de tijd stil gestaan lijkt te hebben. Vanaf de camping hebben we eerst nog een stukje van de Convict Trail gevolgd en zijn gestopt in Richmond. Richmond staat bekend om een aantal oude gebouwen, waaronder de oudste gevangenis, brug, Katholieke kerk, school en postkantoor van Australië. Wij hebben een bezoek gebracht aan de brug, kerk en de gevangenis. De gevangenis was in 1825 gebouwd. Dit was nodig omdat Richmond vanwege de bloeiende economie gevangenen nodig had voor de bouwactiviteiten en het was makkelijker om ze dicht bij de werkplaats onder te brengen. In die tijd zaten de vrouwen en mannen ook al apart gevangen. Er waren ook cellen voor eenzame opsluiting van slechts 2 x 1 meter en heel erg donker. Ook kon men voor ongehoorzaamheid zweepslagen krijgen. Destijds waren de straffen iets strenger dan nu. Zo kregen Robert en Peter Charles (broers) beiden levenslang voor het stelen van 6 schapen! Een vrouw kreeg 2 dagen eenzame opsluiting vanwege het feit dat het huis (waar ze werkte) niet schoon genoeg was. Ja ja die goede oude tijd, waar is die gebleven!
In Oatlands zijn we gestopt voor een kopje koffie. (In) dit dorpje is grootste collectie Gregoriaanse zandstenen gebouwen in Australië. We hebben een wandeling door het dorpje gemaakt en het was heel mooi om te zien dat ze bepaalde dingen zoals bijvoorbeeld de lantaarnpalen en straatnaambordjes ook in een ouderwets jasje hadden gestoken.
In het dorpje Ross is ook weer een mooie brug te zien. Daniel Herbert, een gevangene en steenhouwer, heeft de burg ontworpen en samen met een groep gevangenen gebouwd. Als beloning kreeg hij zijn vrijheid terug. Ook was hier weer een heel mooi oud kerkje en hebben we de ”Ross Female Factory” bekeken. Waar het woord “factory” betrekking op heeft, snappen we niet helemaal. Het was namelijk een plaats waar de kinderen van vrouwelijke gevangenen werden verzorgd. Wanneer een vrouw tijdens haar detentie een kind ter wereld bracht, werd dat kind hiernaartoe gebracht en gedurende drie jaar verzorgd. Daarna werden de kinderen naar een weeshuis overgebracht en werden er pleegouders gezocht.
Daarna zijn we doorgereden naar Bicheno en hebben hier, na het inchecken op de camping, nog een wandeling langs het strand gemaakt.
Duivels!
Dinsdag 2 februari 2010 – Een van de meest bekende dieren van Tasmanië is denk ik wel de Tasmaanse Duivel. In de buurt van Hobart zit het Tasmanian Devil Conservation Park en dat zijn we vandaag gaan bezoeken.
De Tasmaanse Duivel is een vleesetend buideldier dat voornamelijk leeft van dode dieren zoals dode wallabies, possums en vogels. Met zijn sterke kaken kan hij zelfs botten tot 8 cm. kapotbijten en zijn voedsel wordt dan ook met huid, haar en botten opgegeten. De Duivel komt alleen maar op Tasmanië voor en dan ook nog maar op het grote eiland. Ondanks dat het nachtdieren zijn, waren de dieren in het Conservation Park toch overdag actief. Dit heeft te maken met het feit dat ze in een beschermde omgeving leven waar ze niets te vrezen hebben van hun natuurlijke vijanden. Overigens zijn ze ook ´s nachts actief volgens hun verzorger.
De dieren worden verscheidene keren per dag gevoerd, speciaal voor de bezoekers, en je maakt dan ook meteen kennis met het “fenomeen” waar de Duivels bekend om staan: het grommen en bijten naar elkaar tijdens het eten. Dit is inderdaad angstwekkend te noemen wanneer je dit ´s nachts ergens in het bos hoort terwijl je alleen in je tentje zit.
Het, overigens particuliere, park houdt zich ook bezig met het onderzoek naar de besmettelijke kanker die tot op heden zo´n 80% van de Tasmaanse Duivelpopulatie gedood heeft. Het park is gelegen in het enige ziektevrije gebied dat Tasmanië nog kent en heeft dan ook een fokprogramma om te proberen een stam van Duivels te fokken die resistent is tegen de kanker. Het is bekend dat de kanker een virus is en overgebracht wordt door bijten. En dat is juist wat ze veel naar elkaar doen, tijdens het paren en bij het eten! Het virus gaat gepaard met grote ontstekingen en tast de kaakbeenderen aan waardoor de kaak op een gegeven moment zelfs breekt en het dier de hongerdood sterft. Dit alles binnen 5 maanden tijd. Als er geen oplossing gevonden wordt is de verwachting dat de Tasmaanse Duivel binnen 10-15 jaar uitgestorven is.
Een andere veel voorkomende doodsoorzaak is het autoverkeer. Omdat de Tasmaanse Duivel een aaseter is en er ontzettend veel wallabies, kangoeroes, wombats en pademelons doodgereden worden, gaan er veel Duivels de weg op om te eten met als gevolg dat ze zelf doodgereden worden, de volgende Tasmaanse Duivel wil de dode opeten en zo gaat het maar door…. De afgelopen dagen hebben we in ieder geval weer meer dode dieren gezien dan levende.
Naast de Tasmaanse Duivels waren er in het park ook gedeelten waar onder andere kangoeroes en wallabies rondliepen. Ook daar kon je gewoon tussendoor lopen en ze werden geregeld gevoerd. Ook als bezoeker mocht je ze (helpen) voeren. Het is een heel leuk park om te bezoeken vanwege de interactie die je kunt hebben met de dieren. Waar wij ook altijd weer van staan te kijken is het gedrag van andere mensen. Zo zagen we een Japanse man die een foto wilde maken van zijn vrouw met een van de kangoeroes. Echter de kangoeroe stond verkeerd en hij gebaarde naar het beest dat ie zich om moest draaien… Uiteindelijk gebaarde zijn vrouw maar dat ie aan de andere kant moest gaan staan (die man dan, niet de kangoeroe natuurlijk). En zo zagen we ook de blondine op de foto die haar naam maar in haar nek had laten tatoeëren, want stel dat je je naam vergeet….
Verder hadden ze nog een “free flight bird presentation” welke heel grappig was. In plaats van de verwachte roofvogels hadden ze een voorstelling met onder andere papegaaien, lieten ze een Tawny Frogmouth van dichtbij zien en een Slechtvalk met slechts een vleugel. Het park fungeert ook als opvang voor gewonde dieren. In het geval van de Frogmouth en de valk hebben ze besloten de dieren in de show in te zetten, terug in de natuur is niet mogelijk. Als laatste hadden ze nog een Brown Falcon. Deze kon wel vliegen, maar is met de hand opgevoed en zal zich waarschijnlijk ook niet in de natuur kunnen redden. Er werd veel informatie gegeven tijdens de show en het was de moeite waard en zeer verrassend.
Als laatste hebben we nog een korte videofilm gezien over de Tasmaanse Tijger. Ondanks dat de laatst levende, voor zover bekend, in 1936 in de dierentuin van Hobart gestorven is, heeft men nog steeds hoop dat er ergens in Tasmanië nog een aantal exemplaren leven. Tot in 2005 zijn er meldingen geweest van mensen die beweren een Tasmaanse Tijger te hebben gezien. Bij de laatste melding uit 2005 waren er zelfs foto´s gemaakt, maar die waren behoorlijk wazig. Onderzoek van de, digitale, foto´s heeft niet uit kunnen wijzen of er niet geknoeid was met de foto´s, maar ook niet dat er wel geknoeid was. Het blijft dus nog steeds een mysterie, maar als er nog in leven zijn, zijn het er waarschijnlijk niet veel.
Al met al weer een leuk uitstapje vandaag. Morgen verder, terug richting noorden want over minder dan een week moeten we weer op de ferry zitten, terug naar het vasteland.
Mount Field National Park
Maandag, 1 februari 2010 – Gisteravond zagen we toen het al donker was en we naar het toilet gingen nog een possum op de camping. Helaas was er een ander stel dat het nodig vond om hem weg te jagen omdat hij naar hun mening te dicht bij de vuilnisbakken zat. Echt heel goed hebben we hem dus niet kunnen zien. Na een vrij koude nacht – de koelkast sloeg zelfs af omdat koelen niet nodig was – zijn we vanmorgen doorgereden naar Mount Field National Park. Eerst zijn we gestopt bij The Wall in the Wilderness. Dit is een project van de beeldhouwer/kunstenaar Greg Duncan. Hij is bezig met het uit hout snijden van de geschiedenis van het gebied rond de Derwent rivier vanaf de Aboriginals via de houthakkers en mijnwerkers tot aan de aanleg van de hydro-elektrische dam. Dit doet hij uit houten panelen van merendeels huon pine (een zeldzame boomsoort). Het kunstwerk is nog niet gereed zodat je dan ook de diverse stadia van het bewerken kunt zien. Het werk zal uiteindelijk 100 meter lang worden; er was nu zo’n 30 meter van gereed en het was schitterend! Het was ook erg gedetailleerd en dankzij de belichting van boven zag het er levensecht uit allemaal. Helaas mochten er geen camera’s mee naar binnen.
De weg naar het Mount Field park was wederom erg bochtig en bergachtig, zodat we er iets langer over deden dan we verwacht hadden. We waren van plan geweest om te gaan wandelen, maar omdat we gisteren redelijk veel gewandeld hebben, hadden we geen van tweeën echt veel zin om een lange(re) wandeling te maken. We hebben dan ook gekozen voor een korte wandeling naar de Russell Falls. Deze waterval valt in drie stappen en wordt ook wel de mooiste waterval van Tasmanië genoemd. De weg naar de waterval was weer heel mooi, met goed onderhouden paden en boardwalks. Omdat het zomerseizoen niet echt een seizoen voor watervallen is, viel de Russell Falls niet over de gehele breedte en was hij niet zo spectaculair als we op foto’s gezien hadden.
Na de wandeling zijn we verder gereden naar Cambridge een klein stukje voorbij Hobart. Eindelijk weer in de bewoonde wereld en dus weer bereik met de telefoon en de kans om de website weer eens bij te werken.
Lake St. Claire
Zondag 31 januari 2010 – Vandaag zijn we doorgereden naar Lake St. Clair. Dit vormt samen met Cradle Mountain een nationaal park wat zelfs op de Werelderfgoedlijst staat. De weg er naar toe, de “Lyell Highway” loopt door verschillende nationale parken.
We hebben ergens een boekje opgepikt waarin 60 korte wandelingen staan die je in Tasmanië kunt doen. Langs de route van vandaag zijn er drie, die we allemaal hebben gedaan. Deze wandelingen variëren van 20 tot 40 minuten, zodat we de beentjes weer eens lekker konden strekken.
De eerste stop die we gemaakt hebben, was bij de “Nelson Falls” een waterval van zo’n 32 meter hoog. Een wandeling van zo’n 20 minuten in totaal door een regenwoud. Hierna zijn we doorgereden naar “Donaghy’s lookout” waar een wandeling van 20 minuten naar een uitzichtpunt is wat een mooi uitzicht biedt op de bergen rondom. De volgende stop was in het “Franklin-Gordon National Park” waar we een wandelingetje hebben gedaan van zo’n 45 minuten. Ook weer door een regenwoud en deels langs de Franklin rivier die door het park stroomt. In de jaren 80 waren er plannen om een dam in deze rivier te bouwen ten behoeve van het opwekken van energie. Daar is massaal en met succes tegen geprotesteerd en ook dit gebied is op de Werelderfgoedlijst geplaatst als resultaat daarvan.
Na deze laatste wandeling zijn we verder gereden naar Lake St. Clair. Ook daar zijn een aantal wandelingen uit het boekje met short walks te doen. Overigens is ons niet helemaal duidelijk wat er precies verstaan wordt onder een “short walk”. Er staan namelijk ook wandelingen in tot zo’n 7 uur! Maar dat terzijde. Nadat we eerst ingecheckt hadden, we hadden voor de zekerheid gisteren maar een plaatsje geboekt op de camping, zijn we aan het wandelen gegaan. Hier hebben we 3 wandelingen kunnen combineren zodat we 1 grote wandeling konden doen. In totaal zo’n 1,5 uur. Ook dit is een heel erg mooi gebied en de wandeling ging door het bos en gedeeltelijk langs de oever van het meer.
Tasmanië is inderdaad, tot nu toe, zo mooi als iedereen zei die we tegenkwamen. Morgen gaan we verder naar het zuiden, richting Hobart.
Wandelen
Zaterdag, 30 januari 2010 – Net buiten Rosebery ligt de afslag naar de Montezuma Falls. Dit is de hoogste waterval in Tasmanië. Rosebery was vroeger de meest productieve mijnplaats van de westkust. Om de erts te kunnen vervoeren naar de haven van Strahan, heeft men rond 1904 een tramroute aangelegd. Deze tramroute vormt nu het wandelpad naar de waterval. Op sommige stukken liggen ook nog de originele dwarsliggers van de tramroute. Het pad loopt door het regenwoud en het was dan ook een hele mooie wandeling. De wandeling zelf is zo’n 9,6 kilometer (retour) en duurt zo’n 3 uur. Bij de waterval is een hangbrug gemaakt, want je kunt eventueel nog verder wandelen naar de Melba Falls, zo’n 14 kilometer verder. Wij vonden 9,6 kilometer echter wel genoeg en ook was de brug niet echt stabiel en voor iemand met hoogtevrees (zoals Frans) niet echt te doen. De waterval zelf was 104 meter hoog en alhoewel er niet heel veel water naar beneden kwam (ook hier is het de laatste tijd droog geweest) was hij toch vrij indrukwekkend. Op de terugweg zagen we nog een zwarte slang, een zogenaamde Tigersnake, aan de kant van het pad. Het was een vrij grote slang en ze zijn ook giftig, maar niet agressief en de slang verdween dan ook vrij snel het struikgewas in. Na in de camper een boterham gegeten te hebben, zijn we verder gereden naar Zeehan, waar we gestopt zijn voor koffie. Daarna zijn we doorgereden naar Strahan. De bedoeling was om hier te overnachten en een cruise danwel treinrit met een oud stoomtreintje te maken. Na het informatiecentrum bezocht te hebben, bleken echter de prijzen
voor zowel de cruise als het treintje een beetje erg hoog te zijn. Bovendien waren de twee enige campings in Strahan beide volgeboekt en was de enige optie wildcamperen. Omdat er verder in Strahan niet zoveel te doen is, hebben we besloten om verder te rijden naar Queenstown om daar te overnachten. De weg ernaar toe was erg mooi, heel veel bergen en veel heuvelopwaarts en weer naar beneden. Voor iemand die snel last heeft van wagenziekte (zoals Cora) niet erg leuk, maar als je zelf rijdt heb je daar een stuk minder last van.
Morgen rijden we door naar het Lake St. Clair National Park om weer te wandelen.
Cradle Mountain
Vrijdag, 29 januari 2010 – Vandaag hebben we een bezoek gebracht aan het Nationaal Park Cradle Mountain. Voor alle nationale parken in Tasmanië moet entreegeld betaald worden. Per park kost dit zo’n $ 24,00, maar je kunt ook een pas kopen die 2 maanden geldig is en dan $ 60,00 kost. Dit is natuurlijk voordeliger, tenminste als je op z’n minst drie parken bezoekt. Nu liggen er in Tasmanië heel veel parken, zowat half Tasmanië is park, dus hebben we gekozen voor een 2-maandenpas. Voor we het park ingegaan zijn, zijn we eerst gestopt bij The Wilderness Gallery vlak voor de ingang van het park. Hier was een fototentoonstelling met natuurfoto’s van verschillende fotografen. In totaal waren het 10 kamers en er hingen wel hele mooie foto’s tussen. Daarna zijn we doorgereden naar de ingang van het park. Cradle Mountain is een heel mooi park en een echt wandelparadijs. Bij de parkeerplaats is een informatiecentrum en vandaar gaat ook een shuttlebus die door heel het park rijdt. Je kunt ook met je eigen auto het park in maar er wordt vriendelijk verzocht om gebruik te maken van de shuttlebus. Voor de bus hoef je niets te betalen, dat zit bij het entreegeld inbegrepen. Vanaf het informatiecentrum loopt een weg dwars door het park tot aan het “einde” namelijk Dove Lake, in totaal zo’n 8,5 kilometer. Je kunt er ook voor kiezen om dit te voet te doen. De weg heeft onderweg 2 stops en de shuttlebus komt iedere 10 minuten langs, met als eindpunt dus Dove Lake. Er zijn bij de stops ook weer diverse wandelingen uitgezet, maar er zijn ook boardwalks die van stop tot stop lopen. Je kunt dus stukken te voet of met de bus doen. Wij zijn eerst met de shuttlebus naar het eindpunt gegaan. Rondom Dove Lake is een wandeling uitgezet die zo’n 2 uur duurt. Men was nu echter bezig met onderhoud aan het pad zodat het halverwege afgesloten was. We hebben dan ook een stuk langs het meer gewandeld en zijn daarna weer teruggelopen. Daarna zijn we met de shuttlebus naar de volgende stopplaats gereden. Daar was een vrij korte wandeling van slechts 500 meter. De wandeling begon alleen een kilometer heuvelopwaarts vanaf de parkeerplaats. Er stond een oud huisje uit 1912 waar Gustav en Kate Weindorfer hebben gewoond. Zij waren de eersten die in het park (toen nog geen park) gingen wonen. Zij hadden ook een gastenhuis “Waldheim” genaamd en nodigden mensen uit om van de natuur te komen genieten. Gustav is degene die ervoor gezorgd heeft dat het een nationaal park is geworden. Later is hij ook de eerste ranger van het park geworden. Er staan eeuwenoude bomen in het park, zogenaamde King Billy pines, die nergens anders meer voorkomen. Overigens komen in dit park meerdere planten voor die nergens anders voorkomen, zelfs nergens anders in Tasmanië. Na deze wandeling en bezichtiging van het huisje, zijn we via de boardwalk naar de volgende stopplaats van de shuttlebus gelopen. Daarna zijn we met de bus teruggegaan naar het informatiecentrum waar we een kopje koffie hebben gedronken voor we weer verder zijn gereden naar Rosebery, waar we overnacht hebben. Het park heet trouwens Cradle Mountain omdat er een berg staat die de vorm heeft van een wieg met (als je goed kijkt) een mens die er in ligt (zie foto).
Tassie!
Woensdag 27 januari 2010 en donderdag 28 januari 2010 – Omdat de woensdag behoorlijk vermoeiend was en we eigenlijk niet veel meer gedaan hebben dan naar de camping rijden, met wat tussenstops voor een bakje koffie en een stop bij een uitzichtpunt, besloten we een dag langer in Wynyard te blijven om de omgeving te bekijken. In het pand van het Visitor Centre was ook een tentoonstelling van oude auto’s voornamelijk Fords. Deze waren allemaal lokaal gerestaureerd door een inwoner van het plaatsje. Er stonden er zeker wel een stuk of 20, de oudste van 1903 – een Model A – wat dan ook hoogstwaarschijnlijk de oudste nog bestaande Ford is! De jongste wagen die er stond was ook een Model A van Ford, maar dan de nieuwe uitvoering uit 1928. Daarnaast stonden er 2 auto’s van het Franse merk “Darracq”. Hoewel een kleine tentoonstelling was, was het indrukwekkend te zien wat er bij elkaar stond en hoe goed alles gerestaureerd was.
Na het inwinnen van wat informatie over Tasmanië zijn we op weg gegaan naar Stanley om “The Nut” te gaan beklimmen. De weg van Wynyard naar Stanley loopt langs de Noord-West kust van Tasmanië. Er zijn dan ook verscheidene uitkijkpunten en vuurtorens te vinden. We zijn dan ook onderweg gestopt om een korte wandeling te maken naar een van die vuurtorens. Terwijl we daar stonden kwam er een grote roofvogel overvliegen, maar ja zoals je natuurlijk kunt verwachten stond er net niet de goede lens op mijn toestel om er een goede foto van te maken. Aan de hand van de foto die ik wel had konden we later terugvinden dat het een “White-bellied Sea Eagle” moet zijn geweest. Hopelijk krijg ik nog een kans en heb dan wel de juiste lens gereed, want het is een mooie grote roofvogel.
Daarna zijn we, zoals ik al zei, doorgereden naar Stanley om de “Stanley Nut” te gaan beklimmen. Je hebt 2 mogelijkheden om naar boven (en beneden) te gaan: 1) te voet of 2) de stoeltjeslift. Sportief als wij zijn, ahum, besloten we te voet te gaan. Nu hadden we al wat steile hellingen beklommen, maar dit was toch ook wel redelijk heftig voor de beenspieren. Met letterlijk wat pijn en moeite hebben we de klim naar boven gedaan om daar aan de wandeling van zo’n 2 km te beginnen. En ik moet toegeven dat het uitzicht de moeite absoluut waard is.
Na deze wandeling zijn we weer teruggereden naar de camping om lekker een douche te nemen en een hapje te eten. De eerste dagen Tassie zaten er op.
Frisjes
Zondag 17 januari 2010 – Vandaag was het een wat koelere dag dan gisteren, zo’n 23 graden, en wat denk je: we vonden het koud! Vreemd hoe snel je je min of meer aanpast aan wat de normale temperaturen ergens zijn. Hoewel ik niet denk dat we erg zouden kunnen wennen aan temperaturen die constant rond de nul graden zouden liggen. Misschien ooit toch eens proberen, maar nu ff niet.
Omdat het vandaag ook regende, hebben we de hele dag besteed aan het inplannen van onze laatste weken in Australië. We hebben de ferry naar Tasmanië geboekt en vertrekken vanuit Melbourne op de 26ste januari met de nachtboot naar Devonport in Tasmanië en komen op de 8ste februari weer terug. De overtocht duurt zo’n 10 uur, maar aan boord is genoeg te doen. Er zijn verscheidene restaurants en er is een bioscoop waar je (gratis) naar de film kunt. We zijn benieuwd! Ondanks dat het vandaag zondag is, werd ik toch nog even in de wacht gezet alvorens te kunnen boeken. Dit soort dingen gaat hier op zondag gewoon door. Best wel makkelijk.
Verder hebben we aansluitend aan de overtocht meteen een caravanpark geboekt, we komen om 06:00 uur ’s morgens aan en willen niet al te ver rijden, want vermoedelijk zal er van slapen aan boord ook niet veel komen. Voor we vertrekken gaan we in ieder geval Melbourne bekijken en ook daar hebben we al een caravanpark geboekt. De route vanaf Healesville waar we nu zitten en Melbourne hebben we ook al min of meer gepland zodat we in ieder geval op tijd in Melbourne zijn, en ook de rit uiteindelijk vanuit Melbourne naar Sydney ligt deels vast.
Want de tijd gaat toch wel snel. Als we terug zijn uit Tasmanië is het nog maar 1 weekje in Australië en dan zitten de 3 maanden er al weer op! Het is niet het einde want dan gaan we door naar Nieuw Zeeland, waar we alleen maar over horen dat het er zo mooi is.
Maar gelukkig is het nog niet zover: eerst Tassie verkennen!






